17-11-10

Jenaplan

UITSPRAKEN OVER MENSEN

1. Elke mens is uniek, zo is er maar één. Daarom heeft ieder kind en

elke volwassene een onvervangbare waarde.

2. Elke mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen. Deze

wordt zoveel mogelijk gekenmerkt door zelfstandigheid, kritisch bewustzijn,

creativiteit en gerichtheid op sociale vaardigheid. Daarbij

mogen ras, nationaliteit, geslacht, sociaal milieu, religie, handicap of

levensbeschouwing geen verschil uitmaken.

3. Elke mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit

persoonlijke relaties nodig met andere mensen, met de zintuiglijk

waarneembare werkelijkheid van natuur en cultuur, met de niet-zintuiglijk

waarneembare werkelijkheid.

4. Elke mens wordt steeds als totale persoon erkend en waar mogelijk

ook zo benaderd en aangesproken.

5. Elke mens wordt als cultuurdrager en -vernieuwer erkend en waar

mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.

UITSPRAKEN OVER EEN SAMENLEVING DIE RECHT DOET AAN MENS ZIJN

6. Mensen moeten werken aan een samenleving die ieders unieke en

onvervangbare waarde respecteert.

7. Mensen moeten werken aan een samenleving die ruimte en stimulansen

biedt voor ieders identiteitsontwikkeling.

8. Mensen moeten werken aan een samenleving waarin rechtvaardig,

vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt

omgegaan.

9. Mensen moeten werken aan een samenleving die respectvol en

zorgvuldig de aarde en wereldruimte beheert.

10. Mensen moeten werken aan een samenleving die de natuurlijke en

culturele hulpbronnen in verantwoordelijkheid voor toekomstige

generaties gebruikt.

UITSPRAKEN OVER DE SCHOOL ZELF/HOE WIJ DEZE ORGANISEREN EN HOE HET ONDERWIJS IN DE DOBBELSTEEN ER NAAR INHOUD EN VORM UITZIET

11. De school is een relatief autonome coöperatieve organisatie van

betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er

zelf ook invloed op.

12. In de school hebben de volwassenen de taak de voorgaande

uitspraken over mens en samenleving tot (ped)agogische uitgangspunten

voor het handelen te maken.

13. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de cultuurgoederen

die in die maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd voor de hier geschetste ontwikkeling van persoon en samenleving.

14. In de school wordt het onderwijs uitgevoerd in pedagogische situaties

en met pedagogische middelen.

15. In de school wordt het onderwijs vorm gegeven door een ritmische

afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, wrk, spel en viering.

16. In de school willen we groeien naar een overwegend heterogene

groepering van kinderen naar leeftijd en ontwikkelingsniveau om

het leren van en zorg dragen voor elkaar te stimuleren.

17. In de school wordt zelfstandig leren en spelen afgewisseld en

aangevuld met gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet

op niveauverhoging gericht. In dit alles speelt het initiatief van de

kinderen een belangrijke rol.

18. In de school neemt wereldoriëntatie een centrale plaats in me als

basis ervaren, ontdekken, onderzoeken.

19. In de school vinden gedrag- en prestatiebeoordeling van een kind

kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis

van dat kind en in samenspraak met hem.

20. In de school worden verandering en verbetering gezien als een

nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door een consequente

wisselwerking tussen doen en denken.